Raseigenschappen

Lotharinger fokkerij “de kleine hoeve”

Bron:Fokkersbelangen 53e jaargang nummer  8     (augustus 2003)

Ras in beeld

Het tekeningbeeld van de Lotharinger is zo fascinerend dat op Europees niveau dit tekeningbeeld op allerlei dieren terug te vinden is. Om maar in Nederland te blijven, daar komen we het Lotharinger tekeningbeeld op drie verschillende dieren qua formaat tegen; groot, klein en dwergrassen. In dit artikel komen de wetenswaardigheden van de groot- en klein Lotharinger aan de orde. Door de grote aantrekkingskracht van het tekeningbeeld wordt de moeilijkheidsgraad, om per jaar een aantal tentoonstellingswaardige dieren te fokken, snel onderschat. Logo'sDe Lotharinger is van oorsprong een Duits / Frans product, en dankt zijn naam aan de streek Lotharingen waar het vandaan komt. Lotharingen is een gebied in Elzas-Lotharingen in de grensstreek Frankrijk / Duitsland. Een bont dier dat door inbreng van fokkerskunst, door verschillende Europeesche landen, tot een tekeningras is uitgegroeid met daarbij een helder en duidelijk omschreven tekeningbeeld. Vooral de Duitsers hebben er veel aan bijgedragen om ze op het huidige peil te brengen, wat betreft type en bouw. De Nederlandse fokkers legden zich vooral toe op de tekening. In ons land zijn door de jaren heen veel Duitse dieren, voor verbetering van type en bouw, geïmporteerd. De tekening van de Lotharinger in combinatie met type en bouw en de kleur variëteiten geeft aan dat we met drie (hoofd) verervingvormen te maken hebben.

Type en bouw Groot Lotharinger

Aan type en bouw worden bij de Groot Lotharinger hoge eisen gesteld. Het lichaam is lang en breed. De rugbelijning is, in rust, recht met een brede soepel afgeronde achterhand. De brede schouders en borst vormen samen met de goed ontwikkelde ribbenpartij en goed gevulde achterhand, van boven af gezien een rechthoek. Het beenwerk is niet lang, fors en sterk, waardoor ze in een goede samenstelling ras adel uitstralen. De kop is krachtig ontwikkeld, breed voorhoofd, goed ontwikkeld neusbeen, brede snuitpartij en goed ontwikkelde onderkaak en wangen. De volwassen Groot Lotharinger moet een minimum gewicht hebben van vijf kilogram. Ideaal is zes kilogram of zelfs meer. Er is geen maximum gewicht. Fraaie zware forse dieren, welke goed in stelling gebracht kunnen worden, hebben altijd een streepje voor bij de eindkeuring. De oorlengte bedraagt minimaal zestien centimeter, ze dienen echter in harmonie met het lichaam van het dier te zijn. Strak en V-vormig gedragen. De structuur van de oren kan bij verschillende dieren verbeterd worden. Momenteel komen we vooral bij de Groot Lotharingers dieren tegen met wat gevouwen oren. Dieren die deze lichte fout hebben, welke vaak gepaard gaat met wat minder goede benen (lang en dun) en minder gevulde ribben behoren niet thuis in de top van het klassement op de tentoonstelling. Daar onze Oosterburen een minimum oorlengte van vijftien cm. vragen, dienen we bij import uit Duitsland, er op te letten dat de aangekochte dieren ruim voldoende oorlengte hebben. Bij dieren van zes kilogram of meer behoren stevige oren met een lengte van zeventien cm. of meer. Bij vrouwelijke dieren is een kleine wam toegestaan, welke direct onder de kin is geplaatst. Soms komen we nog dieren tegen die ruim in het borstvel zijn en of wat grote wam hebben. Door selectie kan dit euvel voor een groot deel verholpen worden. Wees zuinig op voedsters die na de fok nog mooi strak in het vel zitten en geen of weinig wam vertonen.

Vererving type en bouw Groot Lotharinger

Fokdieren dienen wat type en bouw betreft aan zeer hoge eisen te voldoen. In tegenstelling tot de vererving van de aftekening kunnen we wat type en bouw betreft gerust stellen dat de erfelijkheidsgraad van de onderdelen hoog is. Dit betekent dat er wat deze onderdelen aangaat weinig of geen concessies gedaan mogen worden bij het samenstellen van de fokparen  en bij de selectie, ook al is de tekening nog zo fraai. Als er duidelijke erfelijke fouten zijn wat betreft type en of bouw , sluit deze dieren dan zoveel mogelijk uit voor de fok. Hoe moeilijk dat ook is, want emotie speelt hierbij een zeer grote rol. Bij de Groot Lotharingers is de laatste tien tot twintig jaar op grote forse dieren met fraai type en bouw gefokt en geselecteerd. De onderdelen type en bouw en gewicht behoeven dan ook geen probleem te geven bij de fok.

Type en bouw Klein Lotharinger

Het type is matig gestrekt, met brede soepel afgeronde achterhand. De goed gevulde schouders en de borst vormen samen met de goed ontwikkelde ribbenpartij en achterhand, van boven af gezien, een rechthoek. Het lichaam mag dus niet lang zijn zoals bij de Groot Lotharinger. Het beenwerk is niet lang, fors en sterk. Vele Klein Lotharingers kunnen zeer snel in goede stelling worden gebracht. De kop is krachtig ontwikkeld, breed voorhoofd, goed ontwikkeld neusbeen, brede snuitpartij en een goed ontwikkelde onderkaak en wangen. De eerste vijfentwintig jaar van het bestaan is vooral op tekening gefokt/geselecteerd en werd er minder sterk op type en bouw gelet. De populatie van de Klein Lotharinger is op dit moment ongeveer even groot als van zijn grotere soortgenoot. Het wordt dan ook tijd om de lat qua type en bouw wat hoger te leggen en daar wordt dan ook hard aan gewerkt door de fanatiekste fokker(ster)s. Gezien de kwaliteit van de dieren kunnen we zeggen dat de resultaten goed zichtbaar worden. Er is al veel winst geboekt in de achterhanden, voorbenen en stelling. Dieren met dunne en lange voorbenen behoren niet meer ingezet te worden als fokdier. Let ook op de geknepen achterhand en of zogenaamde koe hakken. Deze erfelijke fouten komen we een enkele keer tegen. Bij het op de rug leggen van een dier dienen de achterbenen evenwijdig met het lichaam te staan, als U ze tegen het lichaam drukt. Dieren met dit soort afwijkingen dienen in predikaat duidelijk gedrukt te worden en niet voor de fok ingezet te worden. Het gewicht bedraagt 2.25-3.00 kg, ideaal 2.50-2.90 kg, de oorlengte bedraagt 9-10 cm, ideaal is 10 cm. De beste type dieren hebben meestal een oorlengte van iets minder dan 10 cm.
Dieren met een maximum oorlengte komen we niet veel meer tegen, hetgeen mede komt doordat we wat kortere typedieren willen. Mijns inziens zouden we de gewenste oorlengte aan moeten passen van 9 tot 10,5 cm. Ideaal tussen de 9.5. en 10 cm.
Dit zal de uniformiteit in grootte en type ten goede komen denk ik.

Vererving type en bouw Klein Lotharinger

Doordat de Klein Lotharinger is ontstaan uit kruising van de Groot Lotharinger en de Kleurdwerg komen we nog steeds dieren tegen die, hetzij het type van de Groot Lotharinger of het type van de Kleurdwerg genetisch in zich meedragen en in het fenotype (verschijningsvorm) vaak ook tonen. Dieren die wat lang van type zijn (vaak met slechte achterhand) en daarnaast korte diertjes met korte oortjes, zijn in onze nesten nog steeds geen zeldzaamheid. Door bewust de fokparen samen te stellen en de selectie toe te passen zal men tot het gewenste resultaat komen, zodat niet alleen de topdieren het juiste type tonen doch ook in de breedte meerdere dieren hieraan voldoen.

Pels

De rassen hebben een goede volle pels, die zeer dicht en rijk aan onderwol is, en niet te lang. Bij een schone korte, volledig ingehaarde glanzende pels, komt het tekeningbeeld het beste tot zijn recht. Lange pelzen komen we gelukkig niet veel meer tegen en behoren ook gestraft te worden. Veelal kunnen de pelzen nog wat voller (meer onderwol), vooral bij de Groot Lotharinger.

Tekening

De tekening is onderverdeeld in de koptekening en de lichaamstekening. De koptekening bestaat uit;

•    vlinder, welke zich op de neus bevindt.
•    vlinder vleugels, zijn zo strak mogelijk gelijnd en omzomen de onderkaak.
•    doorn, bevindt zich op de neus en stelt het achterlijf van de vlinder voor en is mooi afgerond.
•    oog ringen, bevinden zich rondom de ogen en zijn zo gelijkmatig mogelijk van breedte.
•    wangstippen, bevinden zich rondom de tastharen op de wangen en zijn rond of ovaal van vorm.
•    ooraanzet, met een zo scherp mogelijke begrenzing aan de wortel en uiteraard met de gewenste oorkleur.

Lichaamstekening

•    de aalstreep, loopt vanuit de nek over de rug tot aan de staartwortel zonder enige onderbreking.
•    de aalstreep dient zoveel mogelijk gelijk van breedte te zijn.
•    bovenzijde van de staart is eveneens gekleurd als de voortzetting daarvan.
•    Zijdetekenig, bevindt zich op beiden zijden op de achterste helft van het lichaam en bestaat liefst uit mooie ronde los van elkaar staande losse stippen ter grootte van ca. 3 cm. Voor de Groot Lotharinger en 2.25 cm voor de Klein Lotharinger. Als minimum geld 3 vlekken per zijde, ideaal is echter 5 tot 8 vlekken per zijde.  Vaak hebben ze echter meer zijdevlekken waardoor een samenhangende zijde tekening ontstaat, waarnaar we niet moeten streven. Aalstreepvorming op de buik en buikvlekken is een lichte fout en behoort minimaal bestraft te worden, tenzij er sprake is van zeer veel tekening op de buik (aalstreepvorming en veel vlekken voor de navel). Dieren met schone buiken (zonder tekening) hebben vaak wat schrale tekeningbeelden, zoals smalle aalstreep en weinig en of kleine zijdevlekken.

Theoretische vererving van de tekening

Er is uitgegaan van de internationale symboliektekens. (tussen haakjes). Het tekening beeld van de Lotharinger vererft intermediair, hetgeen wil zeggen dat wanneer men twee goed getekende dieren (Enen) aan elkaar kruist, we volgens de erfelijkheidsleer 50% goed getekende (Enen), 25% eenkleurig (enen) en 25% licht getekende (EnEn) jongen (charlie’s) kunnen verwachten. De uitsplitsing van 50%-25%-25% geldt echter alleen voor grotere aantallen. Het kan voorkomen dat men in een nest twee of meer fraai getekende jongen aantreft, terwijl men in een volgend nest geen tentoonstelling waardige jongen aantreft. Goed getekend (Enen) gepaard aan eenkleurig (enen) geeft 50% eenkleurige jongen. Hieruit zullen geen (EnEn) charlie’s geboren worden.

Uitdaging voor 2013

Ik ga in 2013 proberen of ik een charlie kan behouden voor de verdere kweek. Het zal niet gemakkelijk zijn heb ik van meerdere fokkers gehoord die ook geprobeerd hebben. Ik las laatst in kleindier magazine dat Jac Peeters dit al heel lang geprobeerd heeft en het uiteindelijk niet gelukt is  Waarom een charlie vraagt u zich waarschijnlijk af ? U ziet in het bovenstaande schema dat bij iedere worp eenkleurige dieren zitten, in worpen eenkleur tegen getekend zit geen charlie maar is de worp dus 50% getekend en 50% eenkleur. Als ik nu een charlie ram kan aan houden voor de fok en ik kruis deze tegen eenkleurig zwarte dieren krijg ik als resultaat dus 100% getekende dieren en dat is wat we toch willen. Ik houd u op de hoogte of het gaat lukken. Het lukt natuurlijk alleen met raszuivere dieren, ik hoor en zie wel eens volwassen charlies die uit  een kruising met een ander ras tegen lotharinger komen, de jongen die daaruit voortkomen kunnen 100% gelijkenis hebben met een charlie, maar het is er  dan geen.

Afbeelding van een Charlie

Op onderstaande foto is duidelijk te zien hoe een “charlie” er uit ziet. Een neusvlinder zonder midden tekening en een zeer fijne aalstreep.Verder geen enkele zijdetekening en wangstippen. Deze dieren zijn niet geschikt voor de verdere fok, er ontbreken bij deze konijnen bepaaldegenetische factoren, daarom worden deze dieren reeds bij de geboorte door ons uit het nest gehaald.Haal je deze dieren niet uit het nest gebeurd het volgende; Charlie’s worden al snel na de geboorte flinker dan de andere jongen ze zullen sterker zijn als de moeder het nest laat zogen, ze verdringen hun nestgenoten waardoor deze minder gezoogd worden, met als gevolg dat de gezonde dieren het niet halen. Charlie’s krijgen op een leeftijd van 5 á 6 weken bijna altijd dikke buiken ziekte en hebben daar weinig weerstand tegen, met als gevolg dat je ze dan toch verliest, vandaar dat het bij de geboorte uitnemen van de charlie’s uit het nest een redding is voor de gezonde soortgenoten. In Duitsland is het zelfs bij wet verboden om charlie’s oftewel daar genoemd weislingen met elkaar te kruisen omdat de dieren niet levensvatbaar zijn, dit valt dus onder de wet dierenmishandeling en is daadwerkelijk strafbaar.

Praktische vererving van de tekening

De koptekening, aalstreep  en staartkleur kunnen genetisch goed vastgelegd worden daar deze erfelijk sterk bepaald zijn. Bij het samenstellen van fokparen dienen aan deze onderdelen hoge eisen gesteld te worden. Door dieren aan elkaar te kruisen die dezelfde tekortkomingen hebben, is de kans bijzonder groot dat we dezelfde tekortkomingen terug zien bij de nakomelingen. De zijdetekening vererft minder constant, en we kunnen dan ook aannemen dat de vererving hiervan genetisch minder makkelijk vast te leggen is. Bij de selectie van jonge dieren dienen juist daarom de onderdelen koptekening, aalstreep en staartkleur hoge eisen worden gesteld. Daartegen dienen we bij de selectie m.b.t. de zijdetekening enige soepelheid te betrachten,
daar de zijdetekening minder sterk erfelijk bepaald is en toeval (geluk) een grotere rol speelt. Fokdieren dienen elkaar aan te vullen, dus geen twee druk getekende of met weinig zijdetekening aan elkaar te paren. Fok zoveel mogelijk met dieren die een losse zijdetekening bezitten. Zoals is gemeld vererft het tekening beeld van de Lotharinger intermediair. Dat betekend dat er ook geheel gekleurde dieren geboren worden. Deze dieren kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan de opbouw van een stam. Als u met eenkleurige dieren fokt, let er dan op dat deze uit goed getekende ouders komen, zodat U de goede tekening in Uw stam vasthoudt. Ook heeft dit als voordeel dat er dan geen charlie’s geboren worden.

Kleur Groot en Klein Lotharinger

De kleur moet helder wit zijn, waarop de intens gekleurde tekening sprekend uitkomt. Ze zijn erkend met tekeningbeelden in de kleuren:

•    Zwart
•    Bruin (Havanna)
•    Blauw
•    Madagaskar
•    Isabella
•    Driekleur zwart-geel / blauw-geel
•    Blauw grijs
•    IJzergrauw
•    Blauwgrauw

Om geen vermenging met de Rijnlander te krijgen zijn de klein Lotharingers niet in driekleur erkend.

Zwart ( aBCDE/aBCDE)

De intens zwarte kleur met donkerbruine ogen dient door selectie verkregen te worden. Zorg bij de aanschaf voor intens gekleurde dieren. Gebruik gerust maar eens een éénkleurig dier als deze uitblinkt in type en bouw. U kunt hierbij vooral de intensiteit van de dek, tussen en grondkleur (zonder witte haren in de pels) goed beoordelen. Let hierbij tevens goed op de oogkleur, welke zo donker bruin mogelijk moet zijn.

Bruin (havanna) (abCDE/abCDE)

Deze laten nog wel eens een minder goede oogkleur zien. Dit euvel kan men bij deze kleurslagen verbeteren door gebruik te maken van een zwart getekende, welke uitblinkt in intense kleur en oogkleur. Zoals bekend is er zeer veel variatie binnen zwart qua kleur en oogkleur. Voor de verbetering m.b.t. de donkerbruine oogkleur met rode gloed onder bepaalde verlichting bij bruin, dienen we dan ook steeds de beste zwarte dieren te selecteren die met name uitblinken in zeer intense donkere bruine oogkleur en een intense zwarte deken grondkleur van de tekeningbeelden (dit geld uiteraard voor alle kleuren van kleur gebonden rassen). Mocht U besluiten om door middel van zwart de kleur te verbeteren dan is het van groot belang te weten of het uitgangs materiaal fokzuiver zwart (getekend) is. Het vastleggen van de gegevens is dan ook van groot belang. Want worden er dieren gebruikt die niet gewenste of verkeerde eigenschappen in de genen voeren is alle inspanning misschien voor niets geweest. Als uitgegaan wordt van een zuiver zwart (getekend) dier (aBCDE/aBCDE) welke geen verdunnings factor voor bruin in zich draagt en deze paart aan een bruin (getekend) dier (abCDE/abCDE) F1, krijgt men in de volgende generatie (F2) alleen zwarte jongen welke alle de factor bruin in zich dragen (aBCDE/abCDE) al dan niet met de gewenste tekening. Selecteer hieruit alleen dieren die uitblinken in kleur en oogkleur. Deze dieren onderling aan elkaar gepaard geeft (F3), 25% zuivere zwarte (aBCDE/aBCDE), 50% onzuivere zwarte met de factor bruin (aBCDE/abCDE, en 25% zuivere bruine (abCDE/abCDE) jongen. Selecteer hieruit de meest intense (donkerste) met de beste oogkleur. Paar de beste bruin (getekende) voedster terug aan de oude zwart (getekende) ram (F1) met die fraaie oog,- dek- en grondkleur. De dieren die hieruit geboren worden hebben dezelfde genetische formule als de dieren uit de F2. Dieren uit deze combinatie, die onderling aan elkaar gepaard zijn, geven het zelfde resultaat als de F3. Waarschijnlijk treft men nu ook jongen aan met een zeer goede bruine kleur en oogkleur. Hopelijk zijn er ook enkele met een fraaie tekening, waarvoor we het tenslotte allemaal doen. De bruine kleur dient de kleur van bittere chocolade zeer dicht te benaderen. U kunt ook zwarte dieren (welke uitblinken in kleur en oogkleur) van de eerste kruising (F2) en van de tweede kruising (F3) aan elkaar paren. Als deze beide de factor bruin in zich dragen komen er ook bruine jongen uit voort. Daar bruin fokzuiver is, kan men door bruin aan zwart te paren aan de weet komen of de zwarte fokzuiver is, of één met de factor voor bruin. Indien er uit dergelijke proefparing ook maar één bruin geboren wordt, draagt de gebruikte zwarte de factor bruin genetisch in zich. Worden uit een dergelijke paring alleen zwarte geboren dan is het waarschijnlijk een zuivere zwarte. We kunnen dus allerlei combinaties maken om bruine te fokken. Zo kunt u de hoogst kwalitatieve dieren aan elkaar paren of eventueel terug paren aan ouders of grootouders. Neef x nicht of zelfs broer x zus is geen probleem. Bij hoge mate van inteelt kunnen problemen ontstaan en zal rekening gehouden moeten worden met degeneratie (afwijkingen in uiterlijke verschijningsvorm) verschijnselen. Om de oogkleur bij bruin te verbeteren dien je dus steeds een intensief gekleurde zwarte in te kruisen tot dat het gewenste doel is bereikt. Blijf selecteren op intense kleur en oogkleur dan zult u uiteindelijk resultaat boeken.

Genetische weergave om de bruine kleurslag te verbeteren

(De kleurvererving staat los van de tekeningvererving en type en bouw)

F1, paar (zwart aBCDE / aBCDE) (fokzuiver) x (bruin abCDE / abCDE) (fokzuiver).
(eerste generatie).

F2, alle nakomelingen zijn zwart met de factor bruin aBCDE / abCDE. Al dan niet met het gewenste tekeningbeeld. Selecteer hier de beste dieren uit qua oogkleur en kleur. ACDE factoren zijn in dambordschema weggelaten.

balk-01

F3, paar deze nakomelingen uit de F2 aan elkaar.
aBCDE / abCDE x aBCDE / abCDE. (allemaal zwart met factor bruin).
Hieruit wordt theoretisch, 50% fokonzuiver zwart (Bb), 25% fokzuiver zwart (BB) en 25% bruin (bb) en dus altijd fokzuiver geboren.

balk-02

Bovenstaande werkwijze, van in kruisen van ieder andere kleur, kunt u ook voor allerlei andere genetische verandering van toepassing laten zijn.

Blauw (aBCdE / aBCdE)

Blauw is evenals bruin een verdunning van zwart. Blauw heeft de nijging om bij verdere na fok, als alleen met blauw X blauw gefokt wordt, steeds fletser van kleur te worden. Ook komen we nogal eens lichte haar toppen tegen. Er is dus uiterste waakzaamheid geboden om de staalblauwe kleur door selectie te  behouden. De oogkleur is blauw grijs. Om de kleur te verbeteren kunt u net als bij bruin een intens gekleurde zwarte in kruisen. Vaak zit echter bij veel fokkers de factor voor blauw in hun zwarte dieren. Als deze intens zwart zijn, hebben de blauwe die hier dan uitvallen meestal ook een fraaie intense kleur.

Madagascar (aBCDe / aBCDe)

Is ook een verdunning van zwart, eenkleurig geel. Om een goed beeld van deze kleur te krijgen kunt u het beste eens de kleur en het patroon van de Thuringer gaan bestuderen. Let op de bruin gele dekkleur met lichte waas (zwartachtig gepunte dekharen) en de sluier op snuit orenzijde ,flanken en achterhand. Vooral daar waar onze tekening behoort te zitten welke deze kleuren moeten benaderen. De oogkleur is donkerbruin. De grondkleur in de tekeningbeelden is crème tot wit. Let op de blauwe grondkleur, dit is een zware fout.

Isabella (aBCde / aBCde)

Is een verdunning van zwart, eenkleurig geel samen met blauw. De kleur is als bij Madagaskar met dien verstande dat de dekkleur iets lichter geel is en de dekharen van waas en sluier blauw gepunt zijn. De oogkleur is blauw grijs. De grondkleur in de tekening beelden is crème tot wit. Blauwe grondkleur is ook hier een zware fout.

Wildkleuren Groot Lotharinger

Konijngrijs, ijzergrauw, blauwgrijs, blauwgrauw evenals driekleur komen we niet zoveel tegen. Het in kruisen van Vlaamse Reus gebeurt de laatste jaren vrijwel niet meer bij de Groot Lotharingers. Als U echter deze kleuren wilt fokken kan dit door een konijngrijze Vlaamse Reus te kruisen aan een zwarte Lotharinger. U krijgt dan meteen bonte dieren, U heeft echter nog wel enkele jaren nodig om de juiste tekening hierop te krijgen.

Wildkleuren Klein Lotharinger

Deze kleurslagen kennen enkele fokkers, en komen we jaarlijks wat dieren op shows tegen. De kleurslagen konijn- en blauwgrijs zijn vaak zeer goed van kleur. IJzer en blauw grauw willen, net als bij de Vlaamse Reus het geval is nog wel eens wat donkerder van kleur zijn. In dergelijke gevallen is terug paren aan konijn grijs een goed alternatief om van de donkere kleur af te komen. Indien de grauwe kleur overhelt naar grijs , dan met een te donkere grauwe paren. IJzergrauw vererft namelijk intermediair, hetgeen wil zeggen dat, indien men twee ijzergrauwe dieren aan elkaar paart 50% ijzergrauw is, 25% konijngrijs en 25% donker staalgrauw (bijna zwart). Uit de praktijk blijkt dat de drie mogelijke kleuren niet altijd even sterk zijn en lopen soms in elkaar over, met andere woorden ze overlappen elkaar. We kunnen dus tussenkleuren krijgen, de zogenaamde zwevers. We zouden het zeer op prijs stellen als meer fokkers deze kleuren gingen fokken om ze voor de toekomst te behouden.

Driekleur

In zwart-geel en blauw-geel. Deze zien we de laatste jaren niet meer. Jammer maar het is niet anders. Terug fokken is mogelijk te maken met een te groot uitgevallen Rijnlander. Ze zijn bij de Klein Lotharingers niet erkend om geen verwarring met de Rijnlander te krijgen.

Selectie

Dit is een proces dat tijdens de gehele levensloop van de dieren plaats vindt. Evenals in de natuur wordt op de eerste plaats levensvatbaarheid geselecteerd. In de natuur worden dieren die op de een of andere manier niet goed meekunnen door roofdieren verwijderd. Hoe nauwer de inteelt, hoe strenger men moet selecteren op foutieve eigenschappen. Daar wij echter dieren voor de tentoonstelling fokken dienen wij de natuur een handje te helpen. Dieren die in het nest in de groei achterblijven dienen uit geselecteerd te worden. Sterke levensvatbare dieren zijn van groot belang bij toekomstige fokdieren. We blijven hier dan ook steeds selecteren tot volle wasdom van de dieren. De koptekening en de aalstreep vererven het sterkst omdat deze erfelijk vastliggen. Showdieren dienen een mooie losse zijde tekening te hebben. Voor aanstaande fokdieren houd ik zelf ook wel eens dieren aan die wat veel of weinig zijde tekening hebben. Eventueel met hier of daar een overtollig of uitgelopen vlekje in de tekening. Deze zijn minder geschikt voor de show (laag predikaat of een onvoldoende) maar kunnen waardevolle fokdieren zijn door hun type en bouw. Selecteer op zo min mogelijk onderdelen tegelijk. Zo kun je, je dus concentreren op b.v. de (oog)kleur, waardoor je relatief snel vooruitgang kunt boeken. Door intensieve familieteelt (inteelt) toe te passen is de kans groot om bepaalde eigenschappen sterker in een stam vast te leggen zowel de goede als ook de slechte. De laatste jaren zijn op de fokkersdagen steeds het gewicht en de oorlengte door de keurmeesters genoteerd. Bij de verslagen in fokkersbelangen zijn deze schematisch weergegeven. Beginnende fokkers kunnen deze gegevens raadplegen (verhouding leeftijd, gewicht en oorlengte tot drie maanden) tijdens de selectie van hun jonge dieren.

Samenstellen van fokparen

Aan type en bouw moeten we hoge eisen stellen. Let vooral op een goed gevulde ronde achterhand, en stevig beenwerk, Lichaamsbreedte en schouderpartij. Fok niet met dieren die erfelijke afwijkingen hebben. Al is de tekening nog zo fraai en er worden aanmerkingen gemaakt op type en bouw dan zult u nimmer hoge predikaten krijgen. Aan de tekening mag gerust iets mankeren als men maar geen dieren aan elkaar paart die op onderdelen dezelfde tekortkomingen en/of ondersteuning nodig hebben.
(zie ook bij de erfelijke omschrijving)

Literatuur over groot Lotharinger konijnen

Tot op heden heb ik geen boeken in de Nederlandse taal gevonden die alleen betrekking hebben op het Lotharingerras. Bij Amazon.de vond ik dit duitse boek over Deutsche riesen schecken.
Ik heb het boek besteld voor € 7.90

Zondag 15 januari tijdens het snuffelen op internet kwam ik onderstaand boek nog tegen. Onze konijnen, Tekening rassen, uitgave 1977. Ik werd nieuwsgierig en ging eens op Google kijken of er nog van deze boeken te koop werden aangeboden.
Op www.boek2.nl stond het boek te koop voor 5 euro. Het is altijd interessant om in een gedateerd boek te lezen hoe ze er 38 jaar geleden over schreven en filosoferen. Ik heb het meteen besteld en verheug me enorm op de toenmalige kennis over tekening rassen.

Special Club

De Lotharinger club houdt, normaliter op de tweede zaterdag van juni haar fokkers dag te Veenendaal. Hier komen de laatste jaren ca. 100 fokkers uit geheel Nederland en België met ca. 150 Groot Lotharingers en ca. 150 Klein Lotharingers bijeen.
Alle leden worden hiervoor tijdig uitgenodigd. Op deze bijeenkomsten worden de ingezonden dieren door de ambt terende keurmeesters besproken en er is discussie met de leden.

Ik wens u veel succes met de fok van dit mooie tekening ras en geef de moed niet op als u eens een niet zo’n succesvol fok jaar hebt. Volhouden is de boodschap of de aanhouder wint zegt men wel eens.

Met vriendelijke groet,

Lotharinger fokkerij “de kleine Hoeve”

Ben van Wylick